Justitiepastoraat (Click here for English version)

Justitiepastoraat is juridisch verankerd in het recht van elke mens om de eigen godsdienst of levensovertuiging vrij te belijden en te beleven, individueel of in gemeenschap met anderen (artikel 18 UVRM) (1).

Justitiepastores worden overal ter wereld door en vanuit hun geloofsgemeenschap gezonden om gedetineerde mensen in het beleven en belijden van hun geloofsovertuiging bij te staan en voor te gaan. In de context van de justitiële inrichtingen en ten aanzien van de mensen die er zijn ingesloten, beogen zij het scheppen van ruimte voor ‘heil’ en ‘bevrijding’ van Godswege, hierbij gehoor gevend aan de opdracht gegeven met Jezus’ eschatologische uitspraak “Ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe” (Mt. 25, 36).

In de praktijk van het justitiepastoraat wordt de vraag naar God aan de orde gesteld in relatie tot criminaliteit en detentie. Theologisch gezien vertrekt het justitiepastoraat van de aanname dat Gods bevrijdend heil zich ook openbaart en voltrekt ‘achter gevangenismuren’. Wezenlijk voor het justitiepastoraat is immers het bijbels uitgangspunt dat God, ook waar gebrokenheid en kwaad op de voorgrond liggen, bevrijdend werkzaam is. Dit uitgangspunt leidt tot de theologische aanname dat ook in justitiële inrichtingen, waar mensen zijn ingesloten met het oog op strafuitvoering of bescherming van de bestaande orde, Gods doortocht werkelijk en waarneembaar is. Het werk van het justitiepastoraat heeft direct te maken met thema’s als de verhouding kerk en staat, macht(sgebruik), schuld, vergeving, geweld, kwaad, soevereiniteit, vrije wil, verantwoordelijkheid, recht en rechtvaardigheid.

(1) Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 18: “Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing, door eredienst en de inachtneming van de geboden en voorschriften.”